Vrije wil- Hoezo vrije Wil?

brein‘Wij kunnen niet ontsnappen aan de klauwen van het lot, maar we kunnen ook niet in het lot ontsnappen aan de last van de verantwoordelijkheid’.

Slavoj Zizek.

Als je aan een vriend zou vragen of hij vrij is in het maken van keuzes dan zou hij daar positief op antwoorden. We hebben over het algemeen het idee dat we redelijk vrij kunnen kiezen hoe we ons leven willen inrichten, verantwoordelijk zijn voor ons gedrag en daar aanspreekbaar op zijn. Toch valt er wel iets meer over te zeggen. We hebben bijvoorbeeld niet altijd ons gedrag in de hand. Denk aan slechte gewoontes als te veel eten of drinken. We hebben mogelijk allerlei idealen en goede voornemens, maar het komt er niet van om ze ook werkelijk te realiseren. Maar meer nog worden we met de vrije wil van mensen geconfronteerd als anderen ons iets aandoen of belazeren. Bijvoorbeeld in het verkeer als iemand je afsnijd of een ‘bijna-ongeluk’ veroorzaakt. Dan vraag je je af waar iemand met zijn verstand zit.

We lazen twee boeken over de wil. Allereerst het eindexamenboek filosofie ‘Vrije wil , Discussies over verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking en bewustzijn’ van Tjeerd van Laar en Sander Voerman . En terwijl dit boek vooral een inleiding is en overzicht wil bieden hebben we als aanvulling een boek van dezelfde uitgever gelezen dat uitgebreider ingaat op de vraagstelling n.l. ‘Hoezo vrije wil?‘ Van Maureen Sie e.a. Beide boeken zijn uitgegeven bij Lemniscaat.

De teksten laten zien dat de vraag van de vrije wil een thema is dat filosofen al vele eeuwen heeft bezig gehouden. Niet gek omdat het gaat over het complexe gedrag van ons als mensen en de mate waarin we anderen kunnen aanspreken op bewust handelen en verantwoordelijkheid. Een breed aantal disciplines komen aan bod: biologie, evolutie, rechtspraak, gedragswetenschap en natuurlijk filosofie. In beide boeken komt een discussie steeds terug. Aan de ene kant Dick Schwab met zijn boek ‘Wij zijn ons brein’ die de nadruk legt op de biologie en de grote invloed van de hersenen op ons gedrag en de wil. Aan de andere kant is er ook veel verzet tegen deze biologische/ deterministische verklaring voor het gedrag van mensen, zoals we lazen in het boek ‘Hersenbeest’ van Marian Slob. (Zie)

Het thema vrije wil was drie jaar lang het eindexamenthema voor Havo/VWO en

vrije wil boek

behandelt de belangrijkste aspecten van de vraag naar de wil. Het zoomt in op de belangrijkste posities in het debat. Het gaat in op drie thema’s: vrije wil als voorwaarde voor verantwoordelijkheid; vrije wil als zelfverwerkelijking en vrije wil als bewuste aansturing. Daarnaast geeft het korte bronteksten van filosofen die op deze thema’s in gaan. Het is niet vreemd dat in het boek veel voorbeelden zijn opgenomen die gaan over juridische vraagstukken. Wanneer moet de rechter iemand aansprakelijk stellen en veroordelen als het gaat om zijn of haar handelingen. Of was het zo dat er sprake was van het ontoerekeningsvatbaar zijn van de dader? De maatschappij houdt mensen verantwoordelijk voor hun handelingen. Ze zal mensen complimenteren of veroordelen. Vrije wil is noodzakelijk om iets te zeggen over morele verantwoordelijkheid. Een belangrijke vraag is daarom of mensen moreel verantwoordelijk zijn voor hun handelen en als dit zo is, in welk opzicht. In een volgend hoofdstuk wordt ingezoomd op voor jongeren interessante thema’s. Zelfverwerkelijking, verlangen, bepalen wat je zelf wil en zelfkennis.

Terwijl het eerste boek een wat meer schoolse opsomming is en bedoeld voor middelbare scholieren biedt het tweede boek meer verdieping voor oudere lezers en geeft het een redelijk inzicht in het recente debat over vrije wil, morele verantwoordelijkheid, keuze, zelfidentificatie en zelfcontrole. Bovendien geeft het wat meer achtergronden over het denken over de vrije wil. Onder andere Homerus, Kant, Schopenhauer en Sartre komen voorbij en als het gaat om het recente debat wordt uitgebreid aandacht besteed aan Harry G. Frankfurt, Strawson en Habermas die zich sterk verzetten tegen het vrije wil scepticisme.

Ik benoem in deze tekst enkele thema’s die me hebben aangesproken en doe daarbij zeker geen recht aan de veelheid en nuance van de schrijvers van de twee boeken.

  1. Ordening van posities in het debat

In het denken over vrije wil komen een aantal begrippen steeds terug. Het gaat over vrijheid, het vermogen om vrij te kiezen. En het gaat om verantwoordelijkheid. Dat wil zeggen dat jouw vrijheid van handelen altijd in relatie staat tot je zelf en anderen. Heb je daar verantwoordelijkheid voor en ben je daar op aanspreekbaar. Tenslotte gaat het ook om zelfrealisatie. In de persoon die je wilt zijn. Toon je jezelf aan anderen, ben je herkenbaar als subject, als identiteit.

In het hele filosofische debat over de vrije wil zijn er drie posities te onderscheiden (met heel veel tussenposities) die helpen om het complexe vraagstuk van de vrijheid en de wil van de mens te ordenen. Ik doe dit zeer kort. Degene die er meer over wil lezen verwijs ik naar de wikipedia pagina over de vrije wil, maar ook naar het concluderend hoofdstuk dat Maureen Sie in het tweede boek heeft geschreven.

  1. Determinisme.

Determinisme is de aanname dat alle verlangens, motieven, beslissingen en keuzes – alle wilsdaden relevant voor vrijheid – zijn niets anders dan fysische gebeurtenissen. En ook de activiteit van de wil is niet anders dan het gevolg van een elektrisch chemisch proces in de hersenen. In de geschiedenis van de filosofie wordt al sinds de 16e/17e eeuw gediscussieerd over het gedetermineerd zijn van de mens dan wel dat de mens een zekere vrijheid heeft en een keuze kan maken tussen verschillende mogelijkheden. (bijv. kiezen uit rode of witte wijn).

maxresdefault

Hard determinisme gaat er zelfs van uit dat brave burgers en zware criminelen geen alternatieve mogelijkheden hebben voor hun handelen en daarom niet moreel verantwoordelijk zijn voor hun daden. Deze groep denkers gaan er van uit dat de mens en zijn gedrag bepaald wordt door genen en opvoeding. De harde deterministen stellen dat verantwoordelijkheid en schuld wetenschappelijk gezien onhoudbaar is en pleiten dan ook voor het afschaffen van gevangenissen omdat je het gedrag van mensen niet persoonlijk kunt verwijten. Door de steeds grotere wetenschappelijke kennis van de hersenen, over het menselijk gedrag en de factoren die hier een rol bij spelen, heeft determinisme veel aanhangers. Maar er is ook veel weerstand tegen dit ‘eigen wil scepticisme’.

2. Libertaristen.

Deze groep staat recht tegenover de deterministen en gaan juist uit van de eigen keuzemogelijkheid, vrijheid en verantwoordelijkheid van mensen. Hoewel je bepaald wordt door je genetische basis en socialisatie is er voor elk mens altijd de mogelijkheid om zelf te kiezen en eigen verantwoordelijkheid te nemen. Denk daarbij aan de existentialisten als Sartre.

3. De compatibilisten.

Deze groep gaat uit van determinisme, maar met een zekere mate van vrije keuze van de mens en ruimte voor wil en verantwoordelijkheid. Hobbes en Hume waren overtuigd van de verenigbaarheid van vrijheid en determinisme. In deze blog komen twee belangrijke hedendaagse compatibilisten: Frankfurt en Strawsons aan bod.

2. Gedrag en zelfcontrole.
Een van de artikelen in het tweede boek gaat over gedrag en gedragsverandering gerelateerd aan de vraag van de vrije wil. Het dominante denken in de gedragswetenschappen is dat mensen hun vrije wil weten

leukste levente gebruiken om hun doel te bereiken en dat mensen die onvrij zijn daar niet in slagen. Het centrale begrip in de gedragswetenschap is overigens niet vrije wil, maar zelfcontrole. Het mensbeeld hierachter is vrij cybernetisch. In het kort: Een mens is een intelligent regelsysteem die een doel nastreeft en zich gedraagt om dat doel te bereiken, het eigen gedrag monitort en na terugkoppeling bijstelt. Zelfsturing/ eigen wil is zo een voorwaarde voor a. verantwoordelijkheid, b. een bewuste aansturing en c. een kwestie van zelfverwerkelijking. Je kunt je de vraag stellen of het model dat achter gedragsonderzoek van de mens zit, voldoende recht doet aan de werkelijkheid van mensen in de praktijk.

Goed kijken naar gedrag is niet onbelangrijk want we zien dan dat een gebrek aan zelfcontrole grote gevolgen kan hebben. (dik worden, ongelukken door drankgebruik, agressie) Het gaat vooral om onze reactie op impulsen en uitstellen van behoeftebevrediging op korte en (synchrone) iets langere termijn (diachrone). Er zijn bij dit vraagstuk drie onderzoekslijnen te onderscheiden met eigen vooronderstellingen. Allereerst de insteek waarbij zelfsturing gezien wordt als een vermogen, een mentale spier, die vermoeid kan raken, maar ook getraind kan worden. Het gaat echter niet alleen om een vermogen, maar ook om een individuele verantwoordelijkheid voor eigen gedrag.

Interessant gedachtenexperiment is hierbij het idee dat als een roker, die zegt dat hij niet kan stoppen met roken, een revolver tegen zijn hoofd krijgt en de boodschap dat er geschoten wordt als hij een sigaret opsteekt. De roker verandert door de nieuwe situatie onmiddellijk zijn doelstelling. Hij zal stoppen met roken met als doel te blijven leven. Het gaat in dat geval niet meer om zelfcontrole en eigen wil maar om extern gecontroleerd gedrag. De schrijver laat zien dat de vrije wil (dan wel zelfsturing) zeer complex is en dat de mentale spier niet voor iedereen hetzelfde werkt.

Een tweede manier om naar zelfsturing te kijken is die waarbij er uitgegaan wordt van een zwak zelf met weinig eigen wil. Daarom is het beter te kijken naar de omgeving van de persoon. Door deze prikkelarmer te maken kunnen mensen met kleine stapjes (nudges) wel hun doelen bereiken.

Een derde insteek gaat uit van de vooronderstelling van een gezond mens die, net als kleine kinderen, actief en onderzoekend met de omgeving omgaat. Wat nodig is om de eigen sturing te activeren in het bevorderen van de mogelijkheden, waarbij er drie ‘psychische noodzaken’ worden onderscheiden: we kunnen niet zonder competentie, niet zonder autonomie en niet zonder verbondenheid.

Als de drie insteken vergeleken worden dan zijn ze qua vorm vergelijkbaar. Er is sprake van een doel, een verstorende impuls (rebellerend verlangen), van monitoren en bijsturen. Wat onderscheid maakt is de inhoud van zelfcontrole en dat is wat in de laatste insteek mensen intrinsiek drijft, dat zijn hun psychische noodzaken. Ze willen competent zijn en dingen goed doen en zelf doen. En ze willen de dingen die ze doen in een groter verband doen.

‘Zuiver externe prikkels die ons dwingen te reageren ondermijnen onze competentie , onze autonomie en onze verbondenheid. Het is in dit krachtenveld dat mensen zich echter al van jongs af aan manifesteren als wat wij ten diepste zijn: sociale wezens. Mensen verstaan de kunst en onderkennen de noodzaak van het internaliseren van externe motivaties. Mensen ondergaan allemaal een socialiseringsproces waarin motieven die aanvankelijk vooral op eisen lijken die van buitenaf opgelegd worden, langzaam toegeëigend worden en dan verschijnen als van binnenuit komende wensen’. p. 182

Dit doen we door introjectie, identificatie en integratie. Uiteindelijk kun je spreken over intrinsieke motivatie. Denk aan mensen die hun beroep beleven als een hobby. Toch zijn er veel vragen te stellen bij de idee dat je gelukkig bent als je zelfcontrole hebt over je leven op de terreinen competentie, autonomie, verbondenheid. Is dit het wezen van ‘jezelf kunnen zijn’ ofwel wat is de essentie van de vrije wil. Uiteindelijk kan gedragswetenschappelijk onderzoek niet alle factoren bevatten die bepalen welke keuzes mensen maken, hun intrinsieke motivatie, de eigen doelen die mensen kiezen. Uiteindelijk blijft de individuele mens over die unieke keuzes maakt. Dan helpt toch het filosofisch nadenken over alle vooronderstellingen die in het gedragswetenschappelijk onderzoek gehanteerd worden.

3. Frankfurts antwoord op het determinisme.wil bestaat

Op dit moment is de mechanisering van het wereldbeeld en de these van determinisme dominant in het denken over de vrije wil. Mechanisering leidt rechtstreeks tot naturalisme (alles in de natuur is tijdruimtelijk gesitueerd) fysicalisme ( alles is fysisch van aard) en determinisme ( alles is gedetermineerd) In deze visie wordt de persoon herleid tot een object naast alle andere objecten in de natuur. De mens als natuurding is dan aan dezelfde strikte natuurwetten onderworpen als andere fysische objecten en zijn psychische eigenschappen niet anders dan complexe, fysische eigenschappen. Deze mechanisering van het wereldbeeld heeft dus ook consequenties voor het mensbeeld en het denken over de menselijke vrijheid. De Amerikaanse filosoof Harry G. Frankfurt beschrijft een compatibilistisch antwoord op dit sterk deterministische denken. Wat ik overneem uit zijn betoog is het hiërarchisch model dat spreekt over eerste en tweede orde verlangens. De vooronderstelling in het debat tussen determinisme en compatibilisten is dat morele verantwoordelijkheid (vanuit bewustzijn en wil keuzes maken) alternatieve mogelijkheden vereist. Dit wordt ook wel PAM genoemd. (principe van alternatieve mogelijkheden) Frankfurt ontkent deze redenatie. Morele verantwoordelijkheid veronderstelt geen alternatieve mogelijkheden. Mensen kunnen op zichzelf en volledig vanuit zichzelf een bepaalde keuze maken. Het staat onder hun controle. Dat maakt dat morele verantwoordelijkheid samen kan gaan met determinisme.

keuzes

Hoe dit er uit ziet beschrijft Frankfurt in zijn hiërarchisch model. Het bestaat uit een opvatting over de wil en een idee over de vrijheid van de wil. Het gaat over een visie over de controle over het handelen. Het gaat over de wil en het vermogen om te kiezen om een beslissing te nemen. Frankfurt spreekt over een wilsverlangen en noemt dit volitie. Frankfurt maakt daarbij onderscheidt tussen verlangens van de eerste orde en die van de tweede orde. Deze hiërarchie is gebaseerd op de essentiële reflexiviteit van de mens. Het eerste orde verlangen heeft een handeling tot object. Een tweede orde verlangen heeft het eerste orde verlangen als object. In de eerste orde hebben we effectieve verlangens die we realiseren en verlangens die ons niet motiveren. Een tweede orde verlangen is gericht om een eerste orde verlangen effectief te maken, om het daadwerkelijk het handelen te laten motiveren. De tweede orde verlangens bepalen de wil. Het vermogen tweede orde volities/verlangens te vormen is volgens hem essentieel verbonden met wilsvrijheid. Sleutelbegrip is handelingsvrijheid. In een formule: HV S handelt vrij, alleen als S onbelemmerd doet wat S verlangt te doen. Toch is deze beschrijving niet helemaal compleet. Een neurotisch persoon die 50x per dag zijn handen wast uit smetvrees kan dit misschien uit vrijheid doen, maar is toch niet helemaal vrij. Beter is te kijken naar de relaties tussen verlangens onderling. Stelling: De wil van S is vrij alleen als S onbelemmerd effectief verlangt wat S verlangt effectief te verlangen. Wilsvrijheid heeft zowel betrekking op verlangens van de eerste orde als de tweede orde: de wil om te willen. Het vermogen om tweede orde volities te vormen is essentieel voor wilsvrijheid of onvrijheid. Wat voor wilsvrijheid geldt, geldt ook voor morele verantwoordelijkheid en zelfidentificatie.

Om te willen wat je wilt wordt hiërarchische controle gevraagd.

(HC) S heeft hiërarchische controle over handeling A alleen als A onder de controle staat van een wil (een eerste orde volitie) die bepaald is door de tweede orde volitie van S, hoe de wil van S verder ook bepaald is.

In andere woorden: er is een gepaste band tussen handelen en de wil. De vorming van tweede orde volities worden gestuurd door zelfidentificatie. Hoe meer je je als persoon identificeert met een norm of verlangen, des te meer lukt het je ook dit om te zetten in handelen.

4. Verantwoordelijkheid voor wie je bent. taylor

Charles Taylor denkt door op het hiërarchisch model van Frankfurt vanuit zijn nadenken over moraal. Elk mens is te karakteriseren met de vraag naar zijn eerste en tweede orde verlangens, doelen en intenties. Maar in vervolg daar op kan ook de vraag gesteld worden: welk soort mens ik werkelijk wil zijn? De tweede orde vragen zijn namelijk reflexief van aard. Dit vermogen tot reflectie is kenmerkend voor mens zijn. Volgens Taylor kan het zelf in de evaluatie van zijn verlangens dit op een zwakke of sterke manier opvatten. Het gaat om kwalitatieve onderscheidingen. Goed of sterk wil zeggen dat er in de kwalitatieve reflectie een gebruik van een ‘goed’ of een ander evaluatief begrip wordt gebruikt. Zwak wil bij hem zeggen dat er minder waarde aan toegekend wordt.

‘Zwakke evaluatie is een afweging in termen van wat op de korte dan wel lange termijn de meeste bevrediging of het meeste welbevinden (of het minste ongemak) gaat opleveren. Bij sterke evaluatie maken we niet een ‘koele’ berekening op basis van te verwachten genot of ongemak, maar vellen we een moreel oordeel over de verschillende motivaties en verlangens die op het spel staan. We maken een afweging tussen verschillende waarden en deugden en proberen te bepalen wat we zelf nu eigenlijk echt belangrijk vinden’I p. 171.

Het onderscheid tussen sterke en zwakke evaluaties is duidelijk te maken door te kijken naar dieren. Een hond zal nooit zeggen: laat ik die biefstuk maar niet nemen, want ik wil wat afslanken. Mensen verschillen van dieren door de evaluaties die ze maken. Ze kunnen kiezen om geen vlees te eten vanwege dierenwelzijn, milieuoverwegingen of eigen gezondheid. Mensen kunnen kritisch kijken naar hun eigen motivaties, verlangens en waardeoordelen. Het is ons vermogen tot een sterke evaluatie en dat maakt ons tot de persoon die we zijn. We zijn personen met diepte.

Taylor gaat in op een casus/ dilemma in de tweede wereldoorlog zoals dat is beschreven

kaart vrijheid

door Sartre. Een jongeman wordt verscheurd door de vraag of hij bij zijn zieke moeder moet blijven of dat hij zich bij het verzet tegen de Duitsers moet aansluiten. Een lastig dilemma omdat de jongen geconfronteerd wordt met twee sterke morele eisen. Aan de ene kant zijn zieke moeder die misschien wel dood gaat als hij bij haar weg gaat. Aan de andere kant voelt de jongen zich geroepen door zijn land om op te komen voor het fundament van een beschaafde en ethische relaties tussen mensen. Volgens Taylor gaat het bij dit dilemma om de vraag naar zelfinterpretatie. De jongen heeft besef van het hogere waardevolle dat op het spel staat in de keuze waar hij voor staat. Het is echter een keuze waar hij nooit bevredigend definitief of absoluut voor kan kiezen. Er is sprake van een zekere traagheid. De jongen die voor dit dilemma staat moet zichzelf de vraag stellen welk soort persoon hij wil zijn. Hij moet zichzelf onderzoeken en interpreteren. En pas later wanneer hij ouder is en zichzelf opnieuw onderzoekt zal hij een evaluatie kunnen maken en beamen dat hij wel of niet een goede keuze heeft gemaakt. Juist de vragen die het dichtst staan bij de wie je als persoon bent, zijn het meest lastig omdat er werkelijk iets op het spel staat. Past dit bij mijn identiteit, ben ik dit echt? Het is juist het besef dat de ene wijze van leven van hogere waarde is dan een andere. Dit nemen en hernemen van posities is onderdeel van het proces van zelfinterpretatie. Een proces dat nooit is afgerond en er zijn geen vaste regels voor. Dit omdat je steeds weer voor nieuwe dilemma’s komt te staan. Het steeds opnieuw eerlijk de uitgangspunten van de eigen identiteit onderzoeken is intensief , diepgaand en maakt onzeker. Taylor stelt dat je je vaker laat leiden door de identiteit van de groep waartoe je behoort.

5. Vrije wil bekeken vanuit onderlinge betrokkenheid van mensen en de sociale omgeving.
Naast meer individueel kun je ook naar de mens kijken als deel van een sociale omgeving. Dit gebeurt

vingerafdruk

onder andere door Arno Wouters die in het tweede boek ‘Hoezo vrije wil’ naar de wil kijkt vanuit een evolutionair perspectief. Anderson (in het hoofdstuk ‘Vrijheid door betrokkenheid’ van) kijkt naar de filosoof Strawsons die het belang van de interacties tussen mensen benadrukt (in het hoofdstuk ‘Vrijheid door betrokkenheid’ van). Beiden geven een interessante aanvulling omdat het denken over de wil met begrippen als zelfreflectie en zelfbewustzijn erg inzoomt op het individu. Wouters laat allereerst zien dat mensen (evenals planten en dieren) in staat zijn van ervaringen te leren en om op basis van redenen keuzes te maken. De volgende stap is dat mensen deze kennis ( ervaringen en keuzes, de interne waarden) overgedragen kunnen worden aan de volgende generatie. Zo ontwikkelen mensen/soorten zich door zich aan te passen aan de omgeving. Bij mensen gaat dit voor een belangrijk deel via taal. Dit mechanisme wordt culturele overdracht genoemd. Een volgend kenmerk van mensen is dat ze bereid zijn om het goede te doen en daarvoor bereid zijn om samen te werken. (Zie ook de boeken van Frans de Waal over het helpend gedrag van apen.) Mensen hebben in de goede omstandigheden, de neiging om datgene te doen wat als goed beschouwd wordt. Wat betekent dit voor de vrije wil? Wouters schrijft:

‘Het gedrag van de mens wordt bepaald door de door de mens zelf onderhouden innerlijke organisatie. (..)Die organisatie komt tot stand door evolutie, door individuele leerprocessen en door culturele overdracht’. (..)

‘Dank zij de taal heeft de mens als enige soort de culturele overdracht zo hoog ontwikkeld dat wij in staat zijn om opvattingen over wat het geval is, wat wenselijk is en hoe te handelen op basis van redenen, te beoordelen en daar naar te handelen. II p.203

Een mens is dus altijd onderdeel van verbanden, netwerken, groepen en cultuur. Hoe zit

Bronnen-van-het-zelf-Food-for-Flow

het dan met de verantwoordelijkheid? Wouters gebruikt hier het begrip rolverantwoordelijkheid. Je bent verantwoordelijk voor dat wat je, vanuit je rol of taak verwacht wordt, te doen in die specifieke situatie. Dat maakt de verantwoordelijkheid voor het eigen handelen tot een sociaal iets n.l. dat wat we van elkaar in die specifieke situatie van elkaar verwachten. Het deel uit maken van een praktijk van morele verantwoordelijkheid helpt je om in te zien wat in een bepaalde situatie verwacht mag worden om daar vervolgens ook naar te handelen. p. 205. Individuele ‘wilsactiviteiten’ zijn op deze manier ingebed in sociale praktijken. Wouters betoogt dus dat organismen, dus ook de mens,

‘in hun strijd van overleven op basis van waarden die mede bepaald worden door het culturele discours in een grote verscheidenheid aan omstandigheden op basis van redenen te beoordelen wat van hen verwacht mag worden en daarna te handelen’. II p. 208

vraag elkaar

Joel Anderson behandelt in zijn hoofdstuk twee denkers die zich verzetten tegen het determinisme, ofwel het vrije wil scepticisme dat vooral bij psychologen en neuro-wetenschappers sterk in opkomst is. De schrijver wil aantonen dat het ontkennen van de eigen wil, het elkaar verantwoordelijk houden en de redelijkheid bij het nemen van besluiten praktisch ondenkbaar is. Het is Peter Strawsons die de volgorde omkeert bij de vraag of je een dief van een fiets moet bestraffen als zijn of haar eigen fiets een lekke band heeft en naar huis lopen als vervelend ervaren wordt. De normale reactie is dat we deze persoon verantwoordelijk houden en vinden dat er een vorm van straf moet plaats vinden. We gaan er van uit dat de dief uit vrije wil de fiets gestolen heeft. Maar de vraag is of het uitgangspunt van de vrije wil wel klopt als het determinisme waar is. Als alle stappen eigenlijk voorbestemd zijn kunnen we de dief niet verantwoordelijk houden voor de diefstal. Strawsons oplossing is dat we beter moeten kijken naar onze praktijk in plaats van een afstandelijk filosofisch debat. Hij start bij hoe we praktisch omgaan met onze beoordelingen van mensen en de mate waarin we hen verantwoordelijk houden. Zoals we dit doen met kinderen of oude mensen die afwijkend gedrag vertonen. We voelen ons betrokken bij elkaar en onze emotionele reacties van dankbaarheid en boosheid vooronderstellen dat de andere persoon er werkelijk is in zijn handelingen en onderlinge interacties. We zijn als mensen in staat om goed het onderscheid te maken tussen wanneer iemand ‘zonder wil’ handelt en wanneer hij of zij dat wel doet. Daarmee geeft hij een antwoord op de positie van de deterministen en vrije wil sceptici.

Wat volgens Strawsons op het spel staat, als het determinisme klopt, is dat we onze wederzijdse betrokkenheid zouden moeten opgeven. We zouden geen reactieve attitudes zoals dankbaarheid of wrok kunnen of mogen koesteren als alles wat mensen doen door en door bepaald is door voorafgaande oorzaken.

Onze begrijpelijke neiging om mensen verantwoordelijk te houden voor hun daden, behalve wanneer er verzachtende omstandigheden zijn, hangt samen met onze menselijke aard. Dat we als mensen zo reageren komt niet door iets anders. (Er is geen verklaring vanuit de biologie, evolutie, cultuur oid) Er is geen onafhankelijke reden waarom deze attitudes zo belangrijk zijn. Ze zijn er gewoon. Wel is er volgen hem eindeloos veel ruimte voor aanpassing, herinrichting, kritiek en rechtvaardiging in onze morele praktijk. (en de manier waarop we anderen aanspreken op hun gedrag, dan wel rekening houden met verzachtende omstandigheden.) Voor die praktijk hebben we de abstracte vraag van het bestaan van de vrije wil niet nodig.

Aanvullend op de inbreng van Strawsons is die van Habermas. Hij voegt toe dat de mogelijkheid van het deelnemen aan sociale praktijken zelf, inclusief de praktijk van redenen geven en om redenen vragen van belang is. Beide denkers laten zien dat we als mensen deelnemer zijn van een praktijk waarin vrije wil verondersteld wordt en we kunnen alleen mensen aanspreken op hun gedrag als we die ander kunnen vragen om redenen voor dat gedrag. Juist dit maakt dat we onze vrijheid (van willen) kunnen uitoefenen. Het ontkracht volgens Habermas bovendien de wetenschappelijke claim van (neuro) – wetenschappelijke studies al zouden die alleen iets kunnen zeggen over de mens en zijn gedrag. De werkelijkheid, en hier de betrokkenheid van mensen op elkaar, is altijd complexer en meerdimensionaal dan de wetenschap kan aantonen.

6. Bespreking in de groep.

We hebben uiteindelijk drie bijeenkomsten besteedt aan de twee boeken. De eerste aan

poppenkast

het eerste boek en twee bijeenkomsten aan het tweede boek. Omdat het tweede boek uit afzonderlijke hoofdstukken bestaat hebben we deze verdeeld over de leden die allemaal een korte samenvatting van het hoofdstuk gaven, waarna er gesprek volgde. Hier de belangrijkste opmerkingen:

  • Wat is eigenlijk wil? In het stuk van Hume lazen we dat het gaat om het verlangen. De schrijvers spreken over drie elementen: verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking, bewuste aansturing.
  • Determinisme: gedrag bepaald door gebeurtenissen uit het verleden. Als alles gedetermineerd is dan is denken over moraal niet meer nodig. Dat is en vreemd en tegelijkertijd een soort opluchting. Je voelt je dan minder verantwoordelijk. Het leven komt zoals het komt. Denk aan ziekte.
  • Toepasbaarheid vooral bij juridische vraagstukken. Schuldvraag. Omdat het om mensen gaat is dit veel lastiger dan bij vragen uit de fysieke wereld waarbij veel meer sprake is van oorzaak en gevolg.
  • Sartre: uiteindelijk gaat het om persoonlijke keuze, vrijheid. In alle verlatenheid.
  • Taylor: is een goede aanvulling. Hij benadrukt het vermogen om de vraag te beantwoorden of dit de persoon is die wilt zijn. Dit vereist dat je op jezelf kunt reflecteren. Het tweede is de vraag naar zwakke of sterke waarderingen.
  • Emoties als boosheid zijn een belangrijk element die een impuls geven aan moreel denken.
  • Trump: kun je bij hem spreken over vrije wil. Nee, ook hij zit in een krachtenveld. Ja: hij kan veel bepalen.
  • Het lijkt of we vrij zijn, maar worden we niet op heel veel manieren gemanipuleerd. Denk aan het voorbeeld in het boek van Bas Heijne over de gokautomaten die maken dat mensen maar geld blijven gooien in gokautomaten. Opvoeding is een en al beïnvloeding en manipulatie. Denk aan Rousseau die juist de puurheid van kinderen zocht.
  • Stelling. Het eerste boek is erg gericht op jongeren en hun individualistische houding: zelfverwerkelijking. In het tweede boek is meer oog voor de waarden en normen (cultuur) van de sociale groep. Dan is de vraag naar de wil een vraag naar coöperatieve individuen (Arno Wouters) en het belang van emoties in de onderlinge communicatie en betrokkenheid tussen mensen (Strawsons)

7. Eigen verwerking

kiest koekje

In mijn verwerking van de twee boeken heb ik vooral de compatibilistische insteek opgepakt: de mens in gedetermineerd door evolutie, genen en afkomst, maar daarbinnen is er ruimte voor een eigen wil en verantwoordelijkheid. Hoe daar in de loop van eeuwen over gefilosofeerd is heb ik links laten liggen. Dat geldt ook voor de uitwerking van de vraag naar wil en verantwoordelijkheid in de rechtspraak.

Wat me heeft bezig gehouden is het achterliggende mensbeeld en in welke mate een persoon een zelf is die aangesproken kan worden op zelfreflectie en zelfrealisatie aan de ene kant. En aan de andere kant in welke mate elk mens mede gevormd wordt door de sociale omgeving en de meer grotere omgeving (cultuur) die mede bepalend is van hoe we denken en doen. Met name dat sociale aspect van het nadenken over de wil boeit me. Hoe betrokkenheid en emoties mensen bij de les houden en vormen. Zo ontwikkelen mensen en groepen regels. Dit kan positief uitwerken als je kijkt naar de aandacht en verschuiving van seksueel misbruik (in religieuze groepen of in de zorg of denk aan de Me Too discussie) Maar dat besef ik me ook is de mens ook manipuleerbaar en loopt gemakkelijk mee in de kudde. Ik denk dan aan het ontstaan van burgeroorlogen of aan de ontwikkeling dat we steeds meer consument zijn geworden met alle vervuilende gevolgen. Onze ‘wil’ wordt ook gemanipuleerd door bedrijven die ons producten en diensten verkopen. We zijn een aantal zaken heel gewoon gaan vinden. Van een douche in elk huis tot een weekje zonvakantie in februari. We willen geen ouderdomsdiabetes krijgen, maar ze zijn wel het gevolg van te weinig bewegen en ongezond eten. Ook hier speelt de vraag wie de wil van de mens bepaalt.

Tenslotte. Een filosofiegroep kan veel plezier beleven aan deze twee boeken, waarbij ik de suggestie aan de Senia redactie geef om juist het tweede boek op de lijst te zetten.

Eén reactie

  1. […] Dit boek van Stangneth, hoe compact en lastig geschreven, is origineel en hielp mij om dichter bij het thema te komen. Er zijn veel raakvlakken met andere boeken die we lazen. Ik noem het boek Kopstukken Taylor en zijn analyse van het denken van de geschiedenis van de moderne mens. Zie. Hij fundeert daarin het hedendaagse denken met wat hij de onthechte rede  of het puntvorming zelf noemt. Een rede zonder een verdere horizon of besef van sterke waarden. Maar lazen we twee boeken over de wil, waar bovenstaande vraagstukken behandeld werden. Zie. […]

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s