Charles Taylor. Malaise van de Moderniteit

Het is het doorgeschoten individualisme dat ons parten speelt. We moeten onszelf gelukkig maken, staat overal geschreven. Of tenminste op zoek gaan naar ons ‘ware zelf’. Volg je eigen pad. Alles draait tegenwoordig om zelfverwezenlijking.

Elke Geurts in Trouw 9 sept 2017

Dit citaat van Elke Geurts is een goede illustratie van waar het in deze pagina om gaat. De schrijfster doet in het dagblad Trouw verslag van haar scheiding na een relatie van ruim 20 jaar en ze probeert te begrijpen hóe ze in deze situatie terecht is gekomen. Het ideaal van persoonlijke ontwikkeling en authentiek zijn, blijkt ook een tegenkant te hebben. In haar geval zijn zij en haar man uit elkaar gegroeid en stelt ze zichzelf bovenstaande vragen over gelukkig worden en zelfverwerkelijking.

taylor

De filosoof Charles Taylor is bezig met ‘wording van het  zelf’, maar dan op een zeer fundamenteel filosofisch niveau. Hij onderzoekt de wortels van het hedendaags denken over  authenticiteit en subjectiviteit, maar en dat is opvallend, hij vervalt niet tot een cultuurpessimisme. Door te stellen dat er achter het soms ‘narcistisch’ zoeken van de mens naar zichzelf, er wel degelijk een krachtige morele waarde schuilt, en neemt hij een genuanceerde positie in. Moderniteit is een gegeven, maar om daar te komen zijn wel zo schrijft hij ‘herstelwerkzaamheden’ nodig.

Ontwikkelingen als individualisering en het denken in termen van maakbaarheid plaatst hij in een groter verband door een ‘genealogie van het denken’ te beschrijven. Hij doet dat door een reeks van filosofen te behandelen en te plaatsen in het denken van die tijd (Bronnen van het zelf) en factoren die meegespeeld hebben als het gaat om secularisatie. (Een seculiere tijd) Wat heeft gemaakt dat in de Middeleeuwen de meeste mensen in God geloofden en dat dit in de laatste 50 jaar juist omgekeerd is. Op deze pagina probeer ik met behulp van het boekje Malaise van de Moderniteit en het boekje Kopstukken filosofie van Ingeborg Breuer in te gaan op een paar van voor hem kenmerkende opvattingen.

In de Malaise van de moderniteit laat hij zien dat twee belangrijke denkstromingen ons

moderne samenleving

denken over ‘het Zelf’ bepalen. Aan de ene kant de ideeën van de Verlichting, de grote nadruk op rationeel en redelijk denken, het loskomen van religie en kerk en het komen tot regels en wetgeving die vrijheid en autonomie van de burgers garandeert. De andere grote denklijn is die van de Romantiek. Hierbij gaat het om de beleving en verbondenheid met de natuur en de nadruk op zelfexpressie en zelfrealisatie. Beide elementen zijn terug te vinden in het denken en doen van ons als ‘moderne mensen’. We gaan in ons openbare en werkleven logisch en efficiënt om met onze tijd, ons werk en zijn in staat om planmatig en productief onze doelen te realiseren. Tegelijk proberen we, in wie we zijn en in ons privé leven, onszelf te kennen en te ‘realiseren’ via de inrichting van ons huis, de vriendschappen en clubs waar we lid van zijn en de hobby’s die we hebben.

Maar in deze ontwikkeling van het moderne individu zitten naast goede elementen volgens Taylor een aantal gevaren. Het dreigt het individu te verarmen en op de afgrond van nihilisme te brengen, het is moreel arm en dit alles werkt zich uit in aantasting van het milieu en uitbuiting van mensen. Hij noemt dit wereldverzaking.

schilderij

Voor mij is het denkwerk van Taylor interessant, omdat het een scherpe analyse biedt van kerngedachten, waarden en gedragingen die in ons allemaal zitten, maar die ook maakt dat we vast lopen in de omgang met onszelf, onze naasten en de vraagstukken in de wereld. Taylor biedt lezers een aantal begrippen en denkkader om mee te nemen in zowel de beroepspraktijk en het persoonlijk leven, omdat het om zeer ingrijpende vragen gaat.

1. Twee wortels van het moderne mensbeeld

De onthechte rede, het puntvorming zelf, de atomistische maatschappijvisie en zacht relativisme.

Deze centrale begrippen vatten samen wat er met de mens sinds de verlichting gebeurd is. Bij Descartes wordt de orde tot stand gebracht door de rede. In de kern: Wij leren de realiteit kennen zodra we een juiste voorstelling van dingen hebben als we ze op de juiste wijze representeren. Het gaat om het criterium van de evidentie. Dat betekent dat we zaken voor waar aannemen wanneer deze zaken helder en duidelijk waargenomen kunnen worden en als waarheid kunnen worden beschouwd. Simpel gezegd: Waar is wat we kunnen bedenken. Vanaf Descartes heeft de rede niet meer de functie van inzicht krijgen in de zijnsorde, maar houdt de rede zich bezig met de procedures die bepalend worden voor de waarheidsvinding. Zowel in de wetenschap als in het persoonlijk leven. Deze denkwijze noemt Taylor de ‘onthechte rede’ en zet deze manier van denken aan tot het ‘onthechte subject’ .

Een citaat: Voor Descartes betekent rationaliteit dat de mens denkt volgens bepaalde regels. Oordelen worden voortaan geveld aan de hand van de eigenschappen van de denkactiviteit en niet meer aan de hand van de inhoudelijke overtuigingen die er uit volgen. (SS 156)

ik hou

Dit denken ‘onttovert’ namelijk de wereld, neutraliseert de kosmos en plaatst de mens in de positie van een buitenstaander, een waarnemer die niet bij de wereld betrokken is en die de dingen mechanistisch en functioneel ziet. ‘Om tot heldere en duidelijke kennis te komen moet men buiten zichzelf treden en vanuit een onthecht perspectief de zaken bekijken. Omdat de mens niet afhankelijk is van de samenleving, noch van zijn medemensen, zelfs niet van zijn eigen lichaam, kan hij de wereld om zich heen objectiveren en elke normatieve kracht ontzeggen. En niet onbelangrijk. Door de wereld zo te objectiveren kan de mens haar ook controleren’. (zie SS p. 174)

Volgens Taylor ontstaat er door de onthechte rede een kennismodel waarin het subject vervaagt tot een niet meer dan een niet-uitgebreid vermogen van het bewustzijn tot objectivering van de wereld. Het is een bewustzijn ‘zonder uitgebreidheid’ en in Taylors woorden is dit een puntvormig zelf. De mens heeft het vermogen om dingen als objecten te fixeren, maar het zelf heeft daarbij geen ‘uitgebreidheid’, het is nergens. Het kan zich niet verbinden aan bijzondere kenmerken van het voorwerp. Het zelf van de mens is maakbaar en verwijderbaar. Het puntvormige zelf is alleen maar een vermogen om dingen als object te fixeren.

Een citaat: De kernidee van het onthechte subject dat zowel tegenover de wereld als tegenover zichzelf een objectiverende houding kan aannemen doordat het zich tot een puntvormig zelf neutraliseert, is een van de belangrijkste ontwikkelingen van de moderniteit’

Het gevolg van die objectiverende houding is een groot aantal technische ontwikkelingen en welvaart. Tegelijkertijd ontwikkelt het individu zich tot iemand die zich niets aantrekt van kosmische ordes dan wel een politieke structuur. Mensen kun je zien als politieke atomen. (SSp193) Het subject heeft zich los gemaakt van de wereld om hem heen, van de natuur, van de maatschappij en zijn medemens. Het gevolg is dat de natuur en ook de sociale leefwereld als ‘onafhankelijk, neutraal en vooral technisch beheersbaar’ worden gezien. De maatschappijvisie is atomistisch en instrumentalistisch.

rede

In Malaise van de Moderniteit beschrijft Taylor nog een ander mechanisme dat samenhangt met het onthecht subject. Het moderne mensbeeld gaat namelijk uit van het recht dat iedereen zijn eigen levensstijl kan ontwikkelen, gebaseerd op zijn eigen gevoel van wat werkelijk belangrijk of waardevol is. Het goede leven is wat ieder individu zoekt op zijn eigen manier. Dit maakt iedereen gelijk en alle opvattingen, stijlen en identiteiten gelijkwaardig. Dit is volgens Taylor niet ongevaarlijk. Het is volgens hem wel degelijk mogelijk en nodig om te spreken over hoger en beter, maar omdat we recht willen doen aan mensen als eigen uniek persoon wordt het lastiger om te kunnen spreken over hoger en beter. Dit betekent een tendens tot het relativeren van ‘sterke waarden’ en wordt gekenmerkt door een liberalisme van de neutraliteit. De vragen van het verschil, dat wat goed en niet goed is wordt verschoven naar de marge van het politieke debat. Het effect is ook dat er vaagheid ontstaat over de constitutieve idealen van de samenleving. Taylor noemt dit mechanisme in onze cultuur zacht relativisme.

Romantiek gevoel en natuur

romantiek 2

In de 17e eeuw komen er stromingen op tegen de reductionistische manier van omgaan met de wereld. JJ Rousseau verzet zich tegen de nadruk op zelfbeheersing en de praktijk van onthechte rede en maakt ruimte voor gevoel en natuur. Hij stelt dat de natuur een morele dimensie heeft die ontsnapt aan de objectiverende blik van de radicale verlichter. De natuur is principieel goed en de stem van het geweten. Als we van de natuur zijn vervreemd, raken we verdorven. Volgens Rousseau raken we het contact met de natuur kwijt doordat er een fijnmazig net van meningen is dat in de samenleving tussen ons en de natuur komt te staan. (SSp. 357)

Volgens de romantische filosofen moeten we als mens naar die innerlijke stem luisteren om in overeenstemming met de stem van de natuur te gaan leven. Dan is men helemaal zichzelf en alleen in dat zelf ligt de bron van eenheid en totaliteit. Niet langer de rede en geleerdheid leidt tot verbetering van de mens, maar we moeten leren luisteren naar onze innerlijke stem om in overeenstemming te komen met de stem van de natuur te leven. Het onderzoek naar het zelf leidt tot een sobere levenswijze, tot matigheid en baant de weg terug naar de natuur. Met zijn ideaal van zelfbepaling draagt Rousseau bij aan de subjectivering van het moderne moraalbegrip. Deze mens slaat de weg naar binnen in, omdat daar de sleutel ligt voor de beantwoording van de vraag wat werkelijk waardevol is. Taylor ziet het denken van Rousseau als een volgende stap in de diepere verinnerlijking en radicale autonomie van het zelf. (SSp.p 363) Hij staat aan begin van huidige filosofische theorieën van zelfexploratie en van stromingen die vrijheid en zelfbepaling voor de sleutel van moreel handelen houden.

Caspar_David_Friedrich_-_Zwei_Männer_in_Betrachtung_des_Mondes

Naast de opkomende verlichting zijn er in de 18-19e eeuw ook romantisch dichters en denkstromingen die een ‘tegen verhaal’ ontwikkelen. Genoemd worden de Duitse Sturm und drang; Goethe, Hegel en de door Taylor genoemde filosoof Herder. Het denkbeeld dat ze gemeen hebben wordt door Taylor de natuur als innerlijke bron genoemd. Anders gezegd: de mens heeft zijn plaats in een allesomvattende natuurlijke orde, waarmee hij in harmonie moet leven en waardoor hij toegang moet krijgen tot zijn eigen zelf, in zekere zin door de werking van een innerlijke drang. (SSp 369)

Ook in de kunst wordt de romantische doelstelling zichtbaar. Bedoeld is dat de mens door zijn innerlijke stem te laten weerklinken, zichzelf wil verwezenlijken. Een naar buiten komen van de natuurlijke stem van het innerlijk. Het expressivisme versterkt het in de 18e eeuw opkomende idee van de individuele oorspronkelijkheid van elk mens. Wat uit die bron komt is uniek en eigen. Herder: ‘Elk mens heeft zijn eigen maat’. Het is als het ware een eigen onderlinge afstemming van al zijn zintuiglijke gevoelens. Gekoppeld aan het expressivisme is dit een nieuwe esthetische opvatting. Kunst wordt zo een zelfexpressie par excellence. Het gaat om een bloot leggen van wat eigenlijk verborgen is. Het krijgt een bijna religieus aura. De kunstenaar wordt de ziener of scheppende God.

2. Mensbeeld van Taylor en zijn zoektocht naar morele bronnen.

Voor ik de stap maak naar hoe Taylor omgaat met de malaise van de moderniteit probeer ik zijn manier van kijken samen te vatten. Twee zaken vallen op. Zijn communitaristische mensvisie en het belang om morele bronnen zichtbaar te houden.

hoofd

In de visie van Taylor is de mens iemand die permanent betekenis geeft aan zijn eigen handelen en dat van zijn omgeving. Dat doet hij of zij altijd als deel van een gemeenschap, een sociale groep, een cultuur. Voor dat we zijn geboren is er een WIJ en dan pas een IK. Intersubjectiviteit gaat vooraf aan subjectiviteit. Die overgang gaat vooral via taal. Een kind dat opgroeit in een gezin krijgt als vanzelf deze taal, waarderingen en praktijken mee. (SS 204) Deze sociale taal- ruimte is vooral een (morele) ruimte waarin het onderscheid tussen belangrijk en onbelangrijk, goed en kwaad, waardevol en waardeloos, rechtvaardig en onrechtvaardig al is gemaakt. Deze gedeelde betekenissen zijn ideeën, maar misschien nog meer ook: gezamenlijke praktijken. Denk aan de cultuur van families, gebruiken en codes in het dorp, de werkwijze van de politiek.

Bij de zelfwording van mensen is er dus altijd sprake van een dialogische relatie. Via de omgang en opvoeding door anderen die voor ons belangrijk zijn (GHMead spreekt over significantie anderen) ontwikkelen we onszelf en onze eigen opvattingen, meningen en standpunten. Dit dialogische wordt volgens Taylor onderschat. De antwoorden die mensen geven op vragen over eigen identiteit, Wie zijn we of de vraag: Waar komen we vandaan? Klinken altijd op via een achtergrond (cultuur, geschiedenis, waarden) zodat de eigen smaak, verlangens, meningen en aspiraties tegen die achtergrond betekenisvol worden. Ons leven is bij hem altijd dialogisch en er is over het algemeen sprake van een gemeenschappelijke achtergrond. En taal is daarbij in eerste instantie een activiteit van spreken en niet een geheel van begrippen ter beschrijving. Het is een middel om de wereld te ontsluiten. Hij onderscheidt daarbij drie niet representatieve functies van de taal-activiteit

  1. Door iets te formuleren maak ik iets expliciet bewust wat tot dan toe impliciet werd ervaren. Door een zaak onder woorden te brengen wordt een ervaring of begrip afgebakend ten opzichte van andere ervaringen en begrippen. En daarbij geven we ook waarderingen aan. Daardoor wordt het begrip afgegrensd ten opzichte van anderen.
  2. Taal dient niet alleen om informatie over te brengen, maar ook leidt het tot relaties tussen mensen. Door een uitspraak of vraag worden mensen op elkaar betrokken.
  3. Door taal kan de mens oordelen formuleren en toetsen. Naast een afbeeldingsfunctie socrates7van taal heeft zij ook een expressieve en constitutieve functie. De expressieve functie verlaat het monologische model en openbaart iets in een publieke ruimte. De constitutieve functie wil zeggen dat taal een deel vormt van de werkelijkheid en tegelijkertijd daar over spreekt. Taal beeldt de praktijk niet alleen af, zij is ook deel van de praktijk en maakt haar mogelijk. Door te spreken over democratie wordt er ook gewerkt aan democratie.

Taylor verzet zich in zijn mensvisie tegen het behaviorisme omdat deze theorie het handelen van mensen vernauwd tot dat wat in het gedrag waarneembaar is. Hij toont aan dat menselijk gedrag verbonden is met zijn intenties en met zijn subjectieve verstaans- en belevingshorizon. Het gedrag wordt niet alleen bepaald door impulsen, maar krijgt gestalte doordat de mens de wereld waarin hij leeft interpreteert en daardoor aan de impulsen betekenis toeschrijft die door zijn situatie in die wereld wordt gevormd. Naar de mening van Taylor is de roep om exactheid en waardenvrijheid van het naturalisme mogelijk in de natuurwetenschappen, maar niet bruikbaar in de sociale en menswetenschappen. Zij kan niet uitgaan van vaste zekerheden, omdat zingeving en interpretatie deel uit maken van de menselijke expressie. Er is geen vooraf gegeven sociale realiteit of identiteit omdat deze pas tot stand komt door interpretaties in het nu. De mens in een zelfinterpreterend dier en kent geen betekenisstructuur die los staat van zijn interpretatie. Daardoor bevindt hij zich in een hermeneutische cirkel van interpretatie. Begrijpen is een proces zonder einde. Dit is de reden dat Taylor veel gebruik maakt van het denken van Gadamer die zich met hermeneutiek bezig houdt. Naast taal gaat het ook om kunst, gebaren. Als het gaat om zelfidentiteit hebben we gezien dat de mens zich in een omringende wereld bevindt die voor hem een bepaalde door taal overgedragen betekenis heeft. En menselijk zelfbegrip komt dus via die omringende betekenissen tot stand.

Morele antropologie

waarden

Om te komen tot zelfbegrip is een proces van zelfinterpretatie nodig. Dit is echter nooit waardevrij. Ik geef mijn identiteit vorm door middel van een interpretatieve taal die ik gebruik om mijn waarderingen onder woorden te brengen. Het spreken van een taal neemt ons op in een gemeenschap. De betekenis van goed en slecht, mooi en lelijk leer ik binnen een gemeenschappelijke (taal)ruimte. Dit levert een cruciaal kenmerk van het zelf op: je bent slechts een zelf te midden van andere zelven. De volledige beschrijving van iemands identiteit houdt dus zowel zijn standpunt in de morele ruimte in als zijn verwijzing naar een bepalende gemeenschap.

Taylor gebruikt Harry Frankfurt die onderscheid maakt tussen wensen van de eerste orde en wensen van de tweede orde. De mens kan wensen formuleren, maar kan ook onderscheid maken. Mijzelf definiëren betekent uitvinden wat er significant is in mijn verschil met anderen.

Citaat: Dingen krijgen belang tegen een achtergrond van begrijpelijkheid. Laten we dit een horizon noemen. Hieruit volgt dat een van de dingen die wij niet kunnen doen als wij onszelf op significante wijze willen definiëren, is de horizon onderdrukken of ontkennen waartegen dingen voor ons betekenis krijgen. Dit is het soort stap waarmee men zichzelf in de weg loopt, maar die in onze subjectivistische beschaving vaak wordt gezet.

Taylor werkt dit uit als hij spreekt over wensen met een ‘sterke waardering’. Hij bedoelt daarmee ‘handelingen op basis van een moreel oordeel’. Iemand kan pas weten wat moed is als hij ook lafheid kent. “Doordat het subject zijn intenties in de vorm van sterke waarderingen toetst, stelt het steeds de vraag welk soort leven het zou willen leiden”. Het hebben van sterke waarderingen is volgens Taylor kenmerkend voor mens zijn.

ss

Dit vermogen tot ‘sterk waarderen’ legt de mens ook een specifieke verantwoordelijkheid op. Ieder subject begrijpt zichzelf tegen de horizon van reeds vastliggende waardebepalingen. Die waarden zijn zoals we hebben gezien in taal, woorden en gebaren, beelden en kunst geformuleerd en zijn terug te voeren op een sociale taalgemeenschap. Door een concrete casus probeert de mens op basis van zijn levensgeschiedenis tot een waardeoordeel te komen in het licht van zijn ‘horizon’. N.l. dat wat voor hem of haar gezien wordt als waardevol, hoger evenwichtiger of bevredigender. Sterke waarderingen gaan terug op zowel de individuele levensgeschiedenis, de sociale praktijk en taalgemeenschap. De verantwoordelijkheid ligt hierin dat de persoon op basis van het eigen leven en tegen de achtergrond van de sociale taalgemeenschap komt tot eigen keuzes dan wel nieuwe interpretaties. p.37

Vanuit zijn mensvisie wil Taylor in zijn onderzoek van ‘Het zelf’ de morele ruimte onderzoeken door te kijken naar hoe mensen zijn ingebed in een ingewikkeld net van sociale, talige en normatieve relaties. Want het is de betekenis, aldus Taylor, of beter gezegd het vermogen om betekenissen of kwaliteiten waar te nemen, dat de mens bij uitstek tot mens maakt. Dat wil zeggen: niet een typisch menselijke ‘behoefte’ is hier doorslaggevend, maar een zeker besef van hogere waarde, dat maakt dat de mens (in tegenstelling tot het dier) op zoek gaat naar betekenis en streeft naar vervulling. De overtuiging dat het uitstaan naar betekenis of het besef van hogere waarde (Bij Taylor het goede genoemd) op fundamentele wijze onontkoombaar is voor menselijke wezens, is dan ook dé grondslag van Taylors morele antropologie. Dat wil zeggen: dat de mens kwalitatieve contrasten ervaart en waarderende keuzes moet maken is onvermijdelijk. Zeker in een omgeving die bepaald wordt door verschillende culturen, samenlevingen en individuen.

Zijn uitgangspunt is dat het besef van hogere waarde bevrijdt moet worden van een zekere onderdrukking in het moderne ( morele) denken. Hij doet dit door zo goed mogelijk aan te tonen, zoals we hier boven zagen, dat en hoe ieder mens noodzakelijk denkt en handelt binnen bepaalde kaders van sterke waarderingen.

De naturalistische mens en maatschappijopvatting van de onthechte rede erkent echter geen reeds bestaande morele waarden, omdat dit zou betekenen dat de onthechte houding tegenover de wereld zou moeten worden losgelaten. Voor Taylor zit hier het probleem. In zijn visie wordt hier een versluiering toegepast als het gaat om constitutieve waarden. Het morele perspectief blijft onbesproken. (SSp253 noot 30) Achter het paradigma van de onthechte rede zit een bepaalde opvatting over het goede over waarin een geslaagd leven bestaat. Doordat de mens steeds meer de bron van het weten en de moraal naar het innerlijk verplaatst is dit voor ons als moderne mensen zeer normaal. Het vroegere normatieve en maatschappelijke of godsdienstige dwang bevrijde subject kan nu met een gevoel van eigen waarde zich als menselijk wezen ontwikkelen. Het idee van lichamelijke onschendbaarheid en het individu als drager van rechten komt hier mede vandaan. De vrijheid van de mens bestaat in het naleven van de door hem als redelijk erkende wet. En de mens is daarom tegelijk zijn eigen doel. Daar achter zit ook het idee van zelfverantwoordelijkheid met de daarmee gepaarde gaande voorstellingen van vrijheid en rede. (SS. p365)

brahma-muhurat

Deze grote nadruk op de voorgegeven taalgemeenschap, het belang van het dialogische en de relatie tussen zelfwording en de eigen (morele) horizon bepaalt mede dat Taylor ingedeeld wordt bij de filosofische stroming van het communitarisme.

3. Taylors omgaan met de moderniteit: Zicht op de malaise en het achterliggend ideaal.

boek 2

Charles Taylor is geen cultuurpessimist. Al stelt hij wel zeer fundamentele vragen. De moderniteit biedt in zijn mening de mensheid veel goeds. Door de wetenschap, onderzoek, steeds efficiëntere productiemethoden worden ziektes aangepakt, kunnen we een groot aantal mensen voeden, en is de autonomie en vrijheid van mensen veel groter dan vroeger. Toch bevat de moderniteit een aantal complexe contradicties die om een antwoord vragen. De tegenstelling tussen de verlicht naturalistische en de romantisch expressivistische wereldvisie komt terug in zijn onderzoek van het zelfbegrip, de vergissingen van de moderniteit en de ambivalenties die een uitdrukking zijn van deze niet opgeloste conflicten die in elk van ons aanwezig zijn.

De tragiek van de moderniteit is dat de kennis van eigen waarden steeds geringer is geworden. De kennis over de eigen bronnen is aan het verdampen. Er is binnen het denken van de moderniteit sprake van een paradox. De moderne mens ontkent aan de ene kant maar probeert tegelijkertijd te werken aan een hermeneutische horizon van waarden. Deze zijn volgens Taylor voortdurend en overal in zijn denken en praktijken aanwezig. Het moderne denken versluiert de eigen morele grondslagen.(SSp. 107) En er zijn zoals al eerder gezegd herstelwerkzaamheden nodig om deze praktijk te restaureren. (MvdM p. 35). Zo kan er weer lucht komen in de ingeklapte longen van de geest. (SS p520) In de Malaise van de Moderniteit probeert hij een filosofisch betoog op te bouwen dat de ontwikkeling van denken over het Zelf serieus neemt, dat je redelijk kunt argumenteren over idealen, over de overeenstemming van de praktijk met deze idealen en dat zo’n discussie zinvol is. Naast het vraagstuk van het individualisme en de daarbij horende authenticiteitscultuur, noemt hij het gevaar van de grote nadruk op de instrumentele rede en als laatste het verlies van vrijheid. In het boekje gaat hij het meest uitgebreid in op het vraagstuk van het individualisme. Het authenticiteitsgebod zou voortkomen uit een hedonistische cultuur van het narcisme, een mensbeeld waarbij de mens uitsluitend op het ik betrokken is en waarbij zelfverwerkelijking de belangrijkste waarde is. Hij ziet deze narcistische tendens op drie manieren.

  1. Menselijke relaties zijn minder belangrijk dan de eigen ontplooiing. De ander wordt geïnstrumentaliseerd en hulpmiddel voor eigen verwerkelijking.
  2. Dit individualisme van de zelfverwerkelijking gaat hand in hand met een liberalisme van de neutraliteit, waarin het opkomen voor een ideaal verboden is. Iedereen is verschillend en heeft eigen waarden.
  3. Daarmee worden alle alternatieven gelijk, omdat dit een vrije keuze veronderstelt. Taylor noemt dit de legitimiteit van de keuze.

Dit alles heeft het gevaar in zich om te leiden tot een verlies van bindende morele normen en waarden. Ze zijn vervangen door een moreel subjectivisme dat op haar beurt leidt tot sociaal atomisme. Dit zorgt voor een aantal kenmerken die al voor een deel voorbij zijn gekomen:

  • De malaise van deze tijd is dat er eerst de rationaliteit is en daarna volgt pas de P6250026ethiek. De rationele mens erkent geen inhoudelijke waarde, geen morele zekerheid en geen idee van het goede. Dat, omdat alles eerst moet worden onderworpen aan het oordeel van de rede. Zo ontstaat daarmee een moreel vacuüm. De ontologische vraag: Wat is op zich waardevol? wordt van de hand gewezen, omdat de redelijke mens zelf vaststelt wat goed en kwaad is. Het goede kan niet liggen in iets wat onze wil overstijgt (zoals bij Plato de kosmische orde en Aristoteles het goede leven) Het zelf bepalende individu kiest zijn doelstelling zonder de inmenging van een externe autoriteit. Dit wordt aangeduid als subjectieve wending. (SSp. 82)
  • Moderniteit wordt volgens Taylor gekenmerkt door een fundamenteel onjuiste zelfinterpretatie. Er is een blindheid voor de eigen rijkdom van de menselijke ervaring. De mens kan zijn identiteit niet meer vinden en weet zijn inhoud niet meer. Centraal in dat identiteitsconflict staat het idee van waardevrijheid. Maar die waardevrijheid is een illusie, want achter die neutraliteit tekent zich altijd stilzwijgend een moreel idee af.
  • De door Nietzsche beschreven dood van God beschrijft tegelijkertijd de door onszelf veroorzaakte leegte. (wie gaf ons de spons om onze hele horizon uit te wissen) De morele neutralisering – het kenmerk van onze tijd – laat alle spirituele contouren vervagen en leidt tot een soort duizeligheid en zelfs een breuk in onze wereld en onze lijf-ruimte. ((SS 18) Elke tijd heeft haar eigen angsten en de angst van onze tijd is die van zinloosheid. Dit is terug te zien in de veelvoorkomende ziektebeelden van de moderne mens.
  • ethiekDe moderne mens is ontheemd en beweegt zich in een zinsvacuüm dat door de successen van techniek en wetenschap niet kan worden opgevuld.
  • Het kennisideaal van de moderne mens is dat van de onthechte rede, die neutraal met wetenschappelijke strengheid de wereld benadert. Dit is echter een verarming van het kennen en denken.
  • Een manier van versluiering in onze tijd is om de morele waarde van een handeling niet in de handeling zelf te leggen, maar aan haar nut af te meten. Nuttig is zij alleen als lijden wordt vermeden en vreugde bevorderd. (Bentham) Criterium van handelen is niet een van te voren vastgelegde norm of Goddelijk idee, maar alleen het menselijk geluk. Deze poging om zonder ‘sterke waarderingen’ een ethiek op te bouwen die alleen gericht is op lust in elke denkbare vorm is volgens Taylor met zichzelf in tegenspraak geraakt. De mens is volgens hem niet alleen uit op eigen gewin, maar heeft ook oog voor het welzijn van het geheel.

In het betoog dat hij opbouwt probeert hij aan te tonen dat de wending naar het ik, het subject een onvermijdelijke en logische ontwikkeling is en gedragen wordt door een oprecht ideaal. Tegelijkertijd kunnen er verkeerde vormen van individualiteit

charles-taylor2

voorkomen. Hij geeft zelf op grond van zijn betoog de twee volgende aanwijzingen die elkaar veronderstellen en helpen om verkeerde vormen van individualiteit op te sporen:

A. Authenticiteit houdt in: B. Authenticiteit vereist:
A. Creatie, constructie en ontdekking.

B. Originaliteit

C. Verzet tegen regels van de maatschappij en wat we zien als moraal

A. Openheid voor betekenishorizons (die betekenisgeving versterkt)

B. Zelfdefiniëring in dialoog.

Hij laat in zijn boekje zien dat je redelijk of rationeel over de vragen rondom de individualiteit en zelfverwerkelijking kunt spreken. En dat in de hele authenticiteitscultuur ook een zoeken zit naar een hoger ideaal en dat mensen dat diep in zich ook weten. Het schema hier boven geeft richting aan een goed menselijk evenwicht tussen zelfontwikkeling aan de ene kant en verbondenheid en dialoog met anderen aan de andere kant. Daar zie je zijn mensvisie in terug. Bewering A+B. Op het moment dat er geen openheid is voor betekenishorizons en dialoog met anderen dan wordt de zelfcreatie narcistisch en hedonistisch. Alleen A.

Samenvattend kun je stellen dat we, door de moderniteit en het reductionisme dat haar kenmerkt, denken dat we ethisch neutraal ten opzichte van mensen en dingen te kunnen staan. De mens wordt daarmee geatomiseerd en wereldloos, zonder context. Om deze naturalistische vergissing in haar volledige omvang te vatten moet de kritiek zich niet beperken tot de afzonderlijke wetenschapsmodellen: zij omvat het gehele denken van de moderniteit. Taylor spreekt over beheksing. De mens wordt in deze opvatting als handelend wezen volledig vergeten. Deze beheksing werkt door in de politiek en de problemen waarvoor oplossingen gezocht worden. Tegelijk doet hij een oproep om de achterliggende waarden/horizon te blijven op zoeken.

4. Eigen verwerking

  • Taylor levert een aantal belangrijke kernwoorden: onthechte rede en onthechte horizon filosofiesubject, puntvorming zelf, zacht relativisme en morele horizon. Deze zijn bruikbaar om allerlei ontwikkelingen in de maatschappij te analyseren.
  • Daarnaast laat hij goed zien waar de denkstijlen van mensen van nu vandaan komen. Zijn grote nadruk op hermeneutiek en betekenisgeving is zeer dienstbaar in het begrijpen van mensen en het begeleiden als het gaat om levensvragen.
  • Het dominante mensbeeld van deze tijd – hoewel niet overal en voor iedereen – wordt duidelijker zichtbaar. Op deze manier laat hij zien dat de 21e-eeuwse mens onthecht dreigt te raken van een gemeenschap en van traditie. Om die reden gaan mensen op zoek naar een ‘Zelf’ dat snel kan ontaarden in narcistische zelfverwerkelijking. Hij laat goed zien dat door aan de ene kant de onthechte rede en het verlangen onszelf te zien als een project waar we alles uit moeten halen. Dat alles maakt ons vrijer, maar ook angstiger en eenzamer. Door hem te begrijpen wordt het makkelijker weer te spreken over traditie en cultuur, over afhankelijkheid en de waarde van (inhoudelijk) gesprek. We denken gelukkig te worden achter onze voordeur, individueel sporten, thuisbezorging en hebben van veel vrijheid, maar Taylor laat zien dat er ook een achterkant aan de medaille zit.
  • Dat dit onvrede oproept, blijkt uit uitingen van onverschilligheid, dwangmatige genot en een wanhopig verlangen naar zingeving. Denk daarbij ook de grote nadruk die op het woord geluk ligt en de opmars van geluksgoeroes.geluk
  • Hij laat zien dat in dat krampachtig zoeken wel degelijk een verlangen zit naar een ‘betekenisvol leven’. Want ook de moderne mens gaat op zoek naar morele bronnen; maar, inmiddels los van tradities, zoekt hij die bronnen in zichzelf. Taylor noemt dat de wending naar binnen. We zien dat om ons heen in het enorme aanbod aan cursussen voor zelfonderzoek. Omdat we richtinggevende waarden niet meer ‘buiten’ vinden, zoeken we die ‘binnen’, in onszelf.
  • Wat mij opviel is dat deze ‘weg naar binnen’ door Taylor positief gewaardeerd wordt. (Maar wel binnen zijn mensbeeld en analyse van de wortels van de moderniteit) . Het lijkt of hij wil zeggen dat de moderne mens het vermogen om te luisteren naar zijn ‘sterke waarderingen’ soms kwijt is. Hoewel er ook mensen en groepen zijn die opkomen voor rechtvaardige verhoudingen, vrede en gelijkheid in deze wereld, en daarmee laten zien dat ze besef hebben van een verder liggende morele horizon ziet hij ook een ander dominant mensbeeld. Deze mens wordt geleefd door alles wat kan, door de te grote nadruk op geluk en zelfverwerkelijking. In zijn visie vraagt het vormgeven van een ‘ware’ identiteit om beide bewegingen. Een weg naar binnen, maar tegelijkertijd ook dialoog met anderen en onderzoeken van morele bronnen. Dit is zichtbaar in de taal, een horizon of cultuur met dragende waarden, voorbeelden, kunst enz. De mentale ruimte kan zich zo uitbreiden tot een morele ruimte.

Zie ook.

De wereld van Charles Taylor. Henk Reijnders.

Charles Taylor Wikipedia.

Het Mysterie-tekort. Ger Groot in NRC.

Lezing Masterclass Den Haag

Charles Taylor Filosofie magazine

Denkers & Charles Taylor, Red. Ger Groot en G. Vanheeswijck. Klement Utrecht.

3 reacties

  1. […] De schrijvers stellen dat het debat tussen Augustinus, Voltaire en Nietzsche nog steeds niet voltooid is. In andere woorden het debat tussen agapé, rede en nihilisme. Toch geven de schrijvers met hun paragraaf over het boek De Pest van Camus een antwoord op hun eigen vraag. De arts is doet zijn werk, stelt zich beschikbaar en is trouw aan de zieke mensen. Hij heeft geen ideologie (christendom/humanisme) nodig, maar zijn praktijk is zinvol en overstijgt de nihilistische mensvisie zonder de pretentie van een Übermensch te zijn. Het gaat hier niet alleen om de grenzen en kwetsbaarheid van het menselijk leven, maar ook om moreel denken en handelen. Nodig is een nieuw soort mensbeeld. Ook hier is het denken van Taylor dienstbaar als het gaat om het mechanisme van de onthechte rede en het puntvormig zelf en aan de andere kant het herkennen en onderschrijven van sterke waarderingen. In het boek is dit het thema van de agapé, menselijke naastenliefde. Zie: […]

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s